Het Belgische pensioen kent drie pijlers. De eerste pijler wordt uitbetaald door de federale autoriteiten, de tweede pijler wordt uitbetaald door de werkgever. De derde pijler is het pensioensparen, dus een initiatief van de werknemer zelf. Soms heeft men het ook over een vierde pijler waarbij men verwijst naar de investeringen van de werknemer in immobiliën.
In deze blog kijken we niet naar de privé initiatieven van de werknemer. We beperken ons tot de eerste twee pijlers die worden uitbetaald door de federale autoriteiten en de werkgever. En daar begint de verwarring al. Want de ambtenaren hebben geen recht op de tweede pijler. Zij krijgen enkel de eerste pijler uitbetaald, in tegenstelling tot de contractueel en de zelfstandige.
Het feit dat een statutair ambtenaar geen recht heeft op een tweede pijler vinden we terug in https://multimedia.tijd.be/uitgelegd/ik-bereid-mijn-pensioen-voor/aanvullend-pensioen
En hier begint de verwarring al : het bedrag dat aan de statutair ambtenaar wordt betaald moet vergeleken worden met de som van de eerste en tweede pijler van de contractueel en de zelfstandige. De statutaire ambtenaar krijgt geen tweede pijler omdat de federale overheden een dubbele pet dragen bij de uitbetaling. Zij betalen als overheid én als werkgever.
Indien men niet wil praten over de tweede pijler van de contractueel en de zelfstandige, dan is dat zoals het vergelijken van het gewicht van drie wagens om te weten welke de zwaarste is. De eerste wagen weegt men volledig en bij de twee andere wagens haalt men er de wielen af, de deuren en de motor eruit alvorens te wegen. Dan is het niet moeilijk dat de eerste wagen de zwaarste is.
